top of page

Vrijheid van, vrijheid tot: waarom verbinding soms het grotere risico lijkt

25 aug
6 minuten om te lezen

In de blogpost over aanpassing en naast-elkaar-leven kwam kort het onderscheid ter sprake dat Erich Fromm maakte tussen twee soorten vrijheid. Het is een onderscheid dat niet in één zin te vatten valt — en dat precies daarom een eigen plek verdient.

Wat we meestal met "vrijheid" bedoelen

Vrijheid roept bijna automatisch hetzelfde beeld op: geen last, geen band, geen verplichting. Geen chef die meekijkt, geen partner die iets van je vraagt. Fromm noemde dat vrijheid van iets — bevrijding van een druk die van buitenaf komt. Dat soort vrijheid voelt meteen goed, want je merkt onmiddellijk wat wegvalt. Ze kost je ook weinig: je hoeft er niets voor te doen, alleen iets op afstand te houden.

Maar voor Fromm was dit niet de belangrijkste vorm van vrijheid. Het is de gemakkelijkste.

De vrijheid die iets vráágt

De tweede soort, vrijheid tot iets, ligt anders. Voor Fromm is vrijheid in de kern niet de afwezigheid van banden, maar het vermogen om je leven vorm te geven vanuit wie je werkelijk bent: spontaan handelen, denken, liefhebben vanuit je eigen kern, niet vanuit angst of aanpassing. Verbinding met een ander is in die zin geen inperking van vrijheid, maar juist een van de sterkste vormen ervan. Liefde is bij Fromm niet het opgeven van je zelf aan een ander, maar het delen van je zelf terwijl je het net wél volledig behoudt.

Denk aan de momenten waarop je je, samen met iemand, volledig kon tonen — geen rol, geen berekening, gewoon aanwezig. Een soort flow, waarin je juist méér jezelf was, niet minder, en toevallig ook nog verbonden met iemand anders. Dat is precies wat Fromm bedoelt met vrijheid-tot. Geen tegenstelling met vrijheid, maar de meest volledige vorm ervan.

Waarom het dan toch als risico voelt

Als vrijheid-tot zo goed voelt, waarom kiezen mensen er dan niet vaker voor?

Omdat het risico niet in de verbinding zelf zit, maar in wat ze blootlegt. Als je je volledig durft te tonen, kan de ander je ook echt raken. Of teleurstellen. Of verlaten. Vrijheid-tot vráágt dus iets van je: dat je die kwetsbaarheid verdraagt. Vrijheid-van kost dat niet. Als je vooraf al afstand bewaart, kan er ook nooit zoveel kapot.

En hier wordt het persoonlijk. Wie ooit die intense verbinding heeft gevoeld, weet ook hoeveel er te verliezen valt. Vooral bij een onveilige hechting kan dat besef een eigen leven gaan leiden: de flow was echt, de verbinding was echt — en precies daardoor groeit nadien de angst dat ze niet zal standhouden. Die angst is geen toeval en geen zwakte. Het is de logische keerzijde van iets waardevols te hebben gevoeld en niet zeker weten of het blijft.

Dat maakt een daaropvolgende voorkeur voor afstand heel begrijpelijk. Het is zelden een afwijzing van verbinding. Het is bescherming tegen het verlies ervan.

Een keuze die soms al bij de partner begint

Deze dynamiek kan zich al vroeg aandienen, in de partnerkeuze zelf. Iemand kiezen — bewust of, vaker, zonder het te beslissen — die zelf niet op zoek is naar die intensiteit, of bij wie je op voorhand aanvoelt dat er voldoende afstand zal zijn, is een efficiënte manier om jezelf tegen dat risico in te dekken. Er is dan minder kans op die diepe verbinding, maar ook minder kans op het verlies ervan.

De prijs die daarvoor wordt betaald, is stil maar reëel: je voelt je in die relatie nooit meer helemaal "in flow" en zelden écht gezien. Dat voelt veiliger dan het alternatief — maar het is ook een vorm van vrijheid die alleen bestaat bij gratie van wat ze vermijdt.

Wat dit onderscheid je eigenlijk leert

Het verleidelijke van dit onderscheid is dat het meteen als advies klinkt: kies dan toch voor vrijheid-tot, wees kwetsbaar, neem het risico. Maar zo werkt het niet. Vrijheid-tot is geen knop die je omzet zodra je begrijpt dat hij bestaat. Als vrijheid-van er is gekomen om een reëel risico af te dekken — het risico dat je ooit gekwetst, genegeerd of verlaten werd toen je je wél liet zien — dan verdwijnt dat risico niet omdat je nu het woord ervoor kent.

Wat het onderscheid wél doet, is iets subtielers: het maakt zichtbaar dat "ieder zijn eigen leven" niet neutraal is. Het is een keuze, ooit gemaakt, met een reden die op dat moment zinvol was. Dat besef alleen al verandert iets. Zolang afstand voelt als "gewoon wie we zijn," is er niets om te onderzoeken. Zodra afstand zichtbaar wordt als iets wat ooit een functie had — bescherming tegen een risico dat misschien niet meer bestaat, of tegen een pijn die intussen al lang geleden is — ontstaat er voor het eerst ruimte om de vraag te stellen of die bescherming nog nodig is.

Daar zit meteen ook een lastiger kant aan. De partner naast wie je nu leeft, is zelf vaak niet toevallig gekozen. Wie geneigd is naar vrijheid-van te grijpen, kiest — zonder het te weten — dikwijls ook een partner bij wie diezelfde afstand past. Niet uit berekening, eerder uit herkenning: iemand die evenmin op die intensiteit aanstuurt, voelt vertrouwd, veilig, "normaal". Zolang je je van dat patroon niet bewust bent, voelt de relatie dan ook niet als beperkt. Ze voelt als hoe een stabiele relatie nu eenmaal is.

Het ongemakkelijke komt pas wanneer dat bewustzijn er wél is. Als je scherper gaat zien wie je zelf bent, wat je werkelijk verlangt, dan wordt vrijheid-van niet meer vanzelfsprekend genoeg. Maar dat betekent niet dat vrijheid-tot daarmee plots binnen bereik komt — soms is de mismatch met de gekozen partner fundamenteel, en blijkt vrijheid-tot met déze persoon, hoe bewust je er ook mee omgaat, niet haalbaar. Dat is een van de moeilijkste plekken waar dit inzicht je kan brengen: niet de geruststelling dat er altijd een weg terug is naar elkaar, maar soms net de erkenning dat er, ondanks jaren van liefde en stabiliteit, eigenlijk nooit een echte weg is geweest. Toch geen duurzame, met goede asfalt gelegde weg. Eerder een verharde baan waar je uiteindelijk je wielen op kapot rijdt.

Wat ik in de praktijk vaak zie, is een specifieke variant van dit patroon, die zich meestal pas na vijftien, twintig jaar goed laat zien — en ik sta daarin niet alleen. De Jungiaans-existentiële auteur James Hollis beschrijft, gebaseerd op decennia klinische ervaring, dezelfde botsing tussen het False Self (gevormd door de verwachtingen van anderen) en het instinctieve True Self als een van de kernthema's van de midlife, met relaties als een van de plekken waar die botsing het hardst voelbaar wordt. Ook Esther Perel beschrijft, vanuit haar werk met koppels, hoe overspel dikwijls niet in de eerste plaats over de relatie zelf gaat, maar over het herontdekken van een verloren of nooit-geleefd deel van zichzelf. Drie onafhankelijke klinische lijnen — Winnicott, Hollis, Perel — die, elk vanuit hun eigen kader, hetzelfde mechanisme benoemen.

De partnerkeuze werd destijds, vaak zonder dat iemand het zo zou benoemen, grotendeels gestuurd door het aangepaste zelf: de kant van jezelf die op dat moment het hardst op zoek was naar stabiliteit, veiligheid, iemand die niet te veel zou vragen. Die keuze functioneert jarenlang uitstekend — tot het authentieke zelf, dat in die jaren op de achtergrond bleef, meer op de voorgrond begint te dringen. Wat daarvoor als een goede, evenwichtige relatie voelde, gaat dan schuren. Niet omdat er iets stukging, maar omdat wie je nu bent, een andere vraag stelt aan de relatie dan wie je was toen je koos.

Dat schuren blijft zelden alleen een innerlijk gegeven. Het lekt naar buiten via wat op het eerste gezicht op zichzelf staande problemen lijken: overspel, een vlucht in werk, in alcohol of in andere vormen van afleiding. Ik zie die vaak niet als de oorzaak van de crisis, maar als het symptoom van iemand voor wie het onhoudbaar is geworden om authentieker te leven binnen een kader dat daar geen ruimte meer voor blijkt te hebben. Therapie kan dan veel: het kan het patroon zichtbaar maken, de rouw begeleiden, de weg openen naar een leven dat wel bij het authentieke zelf past. Maar therapie herstelt niet altijd de oorspronkelijke mismatch zelf — soms is de eerlijkste uitkomst niet dat de relatie dieper wordt, maar dat duidelijk wordt waarom ze dat, ook met de beste bedoelingen van iedereen, niet meer kan worden.

Dat is geen vraag die je in een weekend beantwoordt, en al zeker niet alleen. Maar ze begint altijd op hetzelfde punt: niet met een oplossing, maar met het eerlijk benoemen wat er precies wordt vermeden, en van wie. En de moed om ook de mogelijkheid onder ogen te zien dat het antwoord niet is wat je hoopte.

________________________________________________________________________________________________________________

Geïnspireerd door het werk van Erich Fromm, James Hollis en Esther Perel.

Opmerkingen


© 2026 by Praktijk Meander

bottom of page