De prijs van perfect aangepast zijn
Bijgewerkt op: 25 aug
Het werk zit erop, de boodschappen zijn gedaan, het eten staat op tafel. Dan is er nog "vrije tijd". Bij hem zijn dat twee vaste avonden sporten, al jaren zo. Op dinsdag is er voetbal en op vrijdag is er padel. Bij haar is het rommeliger: een vergadering voor de vereniging, een avondje inhalen voor het werk, eens iets met collega's, af en toe nog een extra moment voor die vereniging. Vaak op andere dagen dan zijn twee vaste avonden, waardoor er in de week amper een avond overblijft dat ze allebei gewoon thuis en vrij zijn. Vier dagen bezet is eerder regel dan uitzondering.
Wat er nog aan tijd overschiet, gaat naar het huishouden. Het weekend is dan om beurten bijkomen of naar een feestje bij vrienden. Het ontgaat hen ook geen van beiden dat zowat iedereen in hun omgeving intussen trouwt, of op het punt staat om te trouwen. Zelf hebben ze daar geen haast bij. "We hebben nog tijd genoeg." "Eerst nog wat genieten van het leven." En op de avonden dat ze wél samen thuis zijn, verandert er weinig.
Niemand noemt dit een probleem. Integendeel, het heet zelfs gezond: autonomie in een relatie, ieder zijn eigen leven, niets om ongerust over te zijn.
En toch zit daar ergens dat gewicht. Moeilijk te benoemen, en al helemaal moeilijk om hardop te zeggen — want tegenover welk concreet feit zou je het moeten leggen? Niemand doet iets fout. Er is geen ruzie, geen aanleiding. Alleen een gat dat groter wordt tussen wat "gezond" heet, en wat het voelt.
Het verhaal dat we onszelf vertellen
"We hebben nu eenmaal andere hobby's." "Er is liefde en vertrouwen, en dat is al heel veel." "Individualiteit is belangrijk, ieder mag zijn eigen ding doen." Het zijn zinnen die kloppen. En precies daardoor zijn ze zo moeilijk in vraag te stellen. Wie is er nu tegen liefde, vertrouwen of individualiteit?
Maar er is een verschil tussen twee mensen die elkaar vanuit verbondenheid ruimte geven, en twee mensen die eigenlijk te weinig gemeenschappelijk hebben opgebouwd om zich samen goed te voelen — en die dat gebrek, vaak zonder het zo te benoemen, opvullen met activiteiten. Alleen, of met vrienden, met collega's, met een vereniging. Bijna nooit met elkaar. De leegte die minstens één van de twee voelt, wordt niet uitgesproken. Ze wordt ingevuld met een volle agenda. En zo wordt wat eigenlijk een gemis is, stilaan een levensstijl die "gewoon bij ons past".
Ook "gewoon flexibel zijn" of "elkaar de ruimte geven" klinkt als een compliment, als teken van een volwassen relatie. Maar wat als die flexibiliteit ooit geen keuze was, maar een oplossing? Wat als je vroeger als kind, lang voor je het kon beoordelen, geleerd hebt dat er meer ruimte, meer liefde en gewoon meer rust was als je je aanpaste aan wat anderen van jou verwachtten? Daar hoeft niet per sé een dramatisch verhaal achter te zitten. Soms volstaat het dat er in je omgeving weinig plaats was voor jouw volle, ongefilterde aanwezigheid, en dat aanpassen daardoor de veiligste weg werd. Een patroon dat je, jaren later, gewoon meeneemt in je relatie, zonder het nog te herkennen.
De psychoanalytica Alice Miller beschreef dit mechanisme heel precies: een kind leert zich zo te gedragen dat het aanvaard blijft, en het stuk van zichzelf dat daar niet in past, verdwijnt stilaan naar de achtergrond. Niet uit zwakte, maar uit overlevingslogica. Het probleem is niet dat dit gebeurde — dat gebeurt bij iedereen, in meer of mindere mate. Het probleem is dat er nadien nooit iemand terugkomt om het te herzien. Ook niet binnen een relatie die verder prima loopt.
Wie vult de agenda, en waarom gaat de ander mee
Kijk je nuchter naar zo'n verdeling, dan valt iets op: vaak is ze niet gelijk. De ene partner heeft twee vaste avonden, overzichtelijk en afgebakend. De andere blijkt, alles opgeteld, structureel meer weg dan thuis — telkens op een ander moment, telkens voor iets dat op zich volkomen legitiem is. Een vereniging, het werk, vrienden. Niets daarvan is op zich het probleem. Het patroon van de optelsom wel.
Waarom valt dat zelden op, laat staan dat het wordt bevraagd? Omdat elk onderdeel apart onaantastbaar is. Wie is er nu tegen engagement voor een vereniging, tegen inzet voor het werk, tegen vriendschap? Precies die onaantastbaarheid maakt het zo'n efficiënte manier om afstand te houden, zonder dat er ooit "ik heb afstand nodig" gezegd moet worden.
En de partner die meegaat? Die doet dat zelden uit onverschilligheid. Vaker uit iets anders: het is ongemakkelijk, misschien zelfs beangstigend, om hardop te zeggen "ik wil meer van jou, meer samen." Dat vraagt kwetsbaarheid, en het risico dat het antwoord tegenvalt. Dan is meegaan met "we hebben nu eenmaal andere levens" makkelijker dan je eigen verlangen uitspreken en het risico lopen dat er niets mee gebeurt.
Zo vermijden beide partners eigenlijk hetzelfde, elk op hun manier: het risico om gezien te willen worden, en de kans dat dat verlangen onbeantwoord blijft.
Het bewijsstuk dat alles bewijst
En dan, net op het moment dat het knaagt, is er dat concertje. Of dat etentje, gewoon met zijn tweeën. Niet toevallig — vaak juist dan, wanneer het ongemak van al die weken naast elkaar te groot is geworden om nog te negeren. Het is oprecht fijn, die avond. En het krijgt er meteen een taak bij: het moet bewijzen dat alles in orde is. "Zie je wel, we doen nog dingen samen." Eén avond, ingezet als tegengewicht, precies op het moment dat het geweten te veel begint te knagen over hoeveel weken er tussen zaten.
Dat is geen leugen, en niemand plant het bewust. Maar het is wél een mechanisme, en het heeft een naam: cognitieve dissonantie. Twee gevoelens die niet samen te rijmen zijn - we leven grotendeels naast elkaar, én we zijn een hecht koppel met drukke, gezonde levens - moeten samen blijven bestaan, want de spanning tussen die twee is oncomfortabel. In plaats van die spanning eerlijk onder ogen te zien, wordt het tweede gevoel gevoed tot het zwaar genoeg weegt om het eerste te overstemmen. Eén avond samen wordt zo het bewijs dat de rest van de weken geen probleem is. Zo blijft de stabiliteit overeind. Die stabiliteit is er niet echt, maar het lijkt er alvast sterk genoeg op. En dat geeft "rust en stabiliteit".
Waarom het zo hardnekkig blijft zitten
Je zou denken dat je op je dertigste, veertigste, vijftigste dat aangepaste kind allang niet meer bent. Toch blijft het patroon overeind, ook als de oorspronkelijke reden er al lang niet meer is. Waarom?
Erich Fromm gaf daar een antwoord op dat best confronterend is, en dat geldt voor allebei de partners, niet alleen voor wie de agenda volpropt.
Fromm maakte een onderscheid tussen twee soorten vrijheid. Vrijheid van iets — verlost zijn van verplichtingen, verlost van de ander, van het risico dat intimiteit met zich meebrengt — voelt meteen goed en kost weinig: je hoeft er weinig of niets voor te doen, alleen iets op afstand te houden. Vrijheid tot iets ligt anders: de vrijheid om je werkelijk aan iemand te binden, met alles wat daarbij hoort aan afhankelijkheid en kwetsbaarheid. Die tweede vrijheid kost wél iets, en precies daarom kiezen mensen, zonder het zich te realiseren, bijna altijd voor de eerste. (Dit onderscheid — en waarom net verbinding soms als het grotere risico voelt — wordt uitgebreider uitgewerkt in de verdiepingspost "Vrijheid van, vrijheid tot".)
Vertaal dat naar de twee partners uit dit verhaal, en het patroon wordt scherp zichtbaar. "Ieder zijn eigen leven" oogt als gezonde autonomie. Maar het is in de praktijk vaak vooral vrijheid-ván: van de verplichting om je met de ander bezig te houden, van het risico dat samen-zijn met zich meebrengt, van de kwetsbaarheid om echt gezien te worden.
Niet altijd uit afkeer van intimiteit op zich. Vaak zit er iets stillers onder: het besef, misschien nooit hardop uitgesproken, dat de klik er wel is op het niveau van stabiliteit, van gedeelde waarden, van een gezamenlijk toekomstplan — maar niet op dat andere niveau, waar je mentaal helemaal in flow kan gaan met iemand. Dat besef doet pijn om onder ogen te zien, want er is toch liefde, toch vertrouwen, toch een heel leven dat samen is opgebouwd. Dus wordt het niet uitgesproken. In plaats daarvan vult de agenda zich, stilzwijgend, met alles wat die klik elders wél lijkt te bieden — of gewoon met voldoende afleiding om er niet te lang bij stil te hoeven staan.
Existentiële eenzaamheid: het besef dat je, ook naast iemand, wezenlijk alleen kan zijn met wie je bent. Voor sommigen is dat een tijdelijke fase in de relatie. Voor anderen is het een stille, blijvende zekerheid geworden: het vermoeden dat je door je huidige partner niet meer ten volle gezien zal worden, en de stille beslissing om dat ook niet langer te verwachten. De moeilijkere vrijheid — de vrijheid-tót elkaar — wordt daardoor, zonder dat iemand het beslist, stelselmatig gemeden. Niet enkel omdat vrijheid-van de angst wegneemt om er alleen voor te staan, maar ook omdat de vrijheid-tot in dit geval een deur is die, hoe graag je ook zou willen, niet meer opengaat met deze partner.
Je went aan die manier van leven. Sterker nog: op den duur voelt ze als wie je bent, tot je het onderscheid niet meer ziet tussen "dit is mijn aard" en "dit is wat ik ooit koos om niet te hoeven voelen wat samen-zijn vraagt, of om niet te hoeven rouwen om wat er niet is". Dat geldt voor wie de agenda vult, en evengoed voor wie ermee instemt.
De rekening komt altijd
Een tijd lang werkt het. Precies daarom blijft het zo lang onopgemerkt. Ondertussen betaalt je systeem - je lichaam, je energie, je relatie - wel de rekening, ook al staat er op papier niets fout genoteerd.
Tot het niet meer werkt. Tot rusten niet meer helpt om bij te tanken. Tot je jezelf voor de zoveelste keer in hetzelfde patroon ziet lopen, met je partner of op je werk. Tot de vraag "is dit het dan?" zich niet meer laat wegduwen met een volle agenda.
Dat moment is geen defect of zwakte. Het is het punt waarop het aangepaste zelf de druk niet langer kan dragen en er eindelijk ruimte komt om te vragen wat daaronder zit.
De vraag die overblijft
Niet: wat moet ik veranderen om weer goed te functioneren. Maar iets fundamentelers.
Welk deel van jezelf heb je ooit, ergens onderweg, opzijgezet om aanvaard te blijven — en wat zou het betekenen om het weer terug te halen? ________________________________________________________________________________________________________________
Geïnspireerd door het werk van Alice Miller en Erich Fromm.



Opmerkingen